Algemeen

Introductie Europese mededingingswetgeving
15 juni 2010De vrije mededinging wordt binnen Europa geregeld in artikel 81 en 82 van het EG Verdrag. Doel van deze artikelen is om vrije concurrentie tussen ondernemingen op de Europese markt zoveel mogelijk te garanderen.
Kartelverbod
Onderdeel van deze wetgeving is onder andere een verbod op kartels. De nationale mededingingsautoriteiten, in Nederland de NMa, zien toe op naleving van de mededingingswetgeving.
Groepsvrijstelling
De Europese Commissie heeft echter ook de bevoegdheid om een bepaalde groep regelingen die eigenlijk in strijd is met dit kartelverbod vrij te stellen. Men spreekt dan van een groepsvrijstelling. Zo is er een algemene groepsvrijstelling die bijvoorbeeld franchise-overeenkomsten mogelijk maakt, de zogenaamde Verordening 330/2010 (met ingang van 1 juni 2010 de opvolger van Vo. 2790/1999)
Block Exemption Regulation
Daarnaast is er speciaal voor de automotive sector een aparte groepsvrijstelling van kracht, de zogenaamde Block Exemption Regulation (BER). Door deze groepsvrijstelling is het mogelijk om bepaalde speciale afspraken te maken tussen importeurs en dealers van personenauto’s en vrachtwagens die betrekking hebben op de verkoop, aftersales en de garantiebepalingen. De Verordening 1400/2002 liep op 31 mei 2010 af. De Europese Commissie stond voor de keuze of men daarna door zou gaan met een nieuwe groepsvrijstelling die specifiek is opgesteld voor de automotive sector of dat men de automotive sector zou voegen onder de algemene groepsvrijstelling die nu voor alle andere marktsectoren geldt. Aangezien zowel de vorige algemene groepsvrijstelling, Verordening 2790/1999 tegelijk met de specifieke automotive groepsvrijstelling 1400/2002 afliep bestond er voor de Europese Commissie een unieke gelegenheid om wijzigingen in de wetgeving door te voeren.
Primaire en secundaire markt
Uiteindelijk heeft men besloten om een scheiding aan te brengen in de mededingingswetgeving voor de automotive sector. De primaire markt, dat wil zeggen de verkoop van nieuwe personen- en bedrijfsauto’s valt vanaf 1 juni 2013 na een overgangsperiode van 3 jaar onder de nieuwe algemene groepsvrijstelling Vo. 330/2010. De bepalingen van de huidige groepsvrijstelling Vo 14.000/2002 blijven in de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 mei 2013 van kracht.
Voor de secundaire markt, dat wil zeggen het onderhoud en reparatie aan auto’s en de handel in auto-onderdelen, blijft een specifieke groepsvrijstelling, de Verordening 461/2010, van kracht. De nieuwe automotive BER zoals hij ook wel genoemd wordt, loopt van 1 juni 2010 tot en met 31 mei 2023.
Wat houdt de Verordening 1400/2002 in?
In 2002 vond de Europese Commissie de werking van de markt voor de verkoop van nieuwe motorvoertuigen niet bevredigend. Vanwege een toenemend aantal fusies en samenwerkingsverbanden vreesde men voor het ontstaan van een oligopolistische markt met een verminderde concurrentie tussen de merken (inter-brand). In zo'n geval wordt de bescherming van de concurrentie binnen het merk (intra-brand) van groter belang.
Tegelijkertijd speelde het probleem dat in de aanloop naar de BER een aantal autofabrikanten in de fout waren gegaan door de export van (lager geprijsde, veelal Nederlandse) motorvoertuigen te belemmeren.
Om deze problemen het hoofd te bieden werd in de nieuwe Verordening 1400/2002 gekozen voor een drietal maatregelen:
- een versterking van de mogelijkheden om meerdere automerken te verkopen vanuit dezelfde showroom (multi branding);
- een vergroting van de concurrentie tussen de dealers door autofabrikanten meer vrijheid te geven bij het inrichten van hun distributienetwerk, afhankelijk van hun marktaandeel en door de verbreking van de link tussen verkoop en after-sales zodat dealers zich eventueel kunnen specialiseren in de verkoop van auto’s of in de reparatie alsmede door opheffing van de locatie-clausule;
- stimulering van de parallel-import, door een combinatie van exclusieve en selectieve distributie te verbieden en (wederom) door opheffing van de locatie-clausule.
Verordening 1400/2002 bevatte verder enkele bepalingen die tot doel hebben de dealers te beschermen tegen de macht van de autofabrikant:
- het recht op verwerving van andere dealers;
- de motiveringseis in geval van opzegging;
- de minimale contractduur c.q. opzeggingstermijn;
- geschillenbeslechting.
Tussentijdse evaluatie
Voorafgaand aan het aflopen van de Vo. 1400/2002 heeft de Europese Commissie in 2008 een evaluatierapport laten opstellen omtrent de mededinging in de automotive sector. Hierbij maakte men onderscheid tussen twee markten, namelijk de primaire markt die zich bezighoudt met de verkoop van nieuwe personenauto’s (en bedrijfsauto’s) en de secundaire markt die zich richt op reparatie en onderhoud van personenauto’s en de handel in de daarvoor benodigde onderdelen.
Men kwam tot de conclusie dat er op de primaire markt sprake is van zeer sterke concurrentie, zowel tussen de verschillende merken als tussen de dealers onderling van een bepaald merk (interbrand competition respectievelijk intrabrand competition). Om de vrije marktwerking te garanderen was het volgens de Commissie dan ook niet langer meer nodig om specifieke wetgeving in te voeren; de algemene wetgeving binnen de algemene groepsvrijstelling zou voldoende moeten zijn om voor een eerlijke concurrentie te zorgen.
Primaire markt: de verkoop van nieuwe personen- en bedrijfsauto’s
Met deze evaluatie in gedachten werd dan ook besloten om de verkoop van nieuwe personen- en bedrijfsauto’s na een overgangstermijn van 3 jaar onder te brengen in de vernieuwde algemene groepsvrijstelling, Vo. 330/2010. De overgangstermijn van 3 jaar is ingesteld om belanghebbende partijen de kans te geven zich voor te bereiden op de nieuwe situatie en hun onderlinge contracten aan te passen. Daarna loopt de Verordening 330/2010 tot en met 31 mei 2022.
De belangrijkste wijzigingen in de nieuwe Vo. 330/2010 in vergelijking met de bepalingen in de huidige Vo. 1400/2002 met betrekking tot de verkoop van nieuwe auto’s zijn:
- Het wordt vanaf 2013 mogelijk voor autofabrikanten om van hun dealers te vragen dat zij behalve verkoop ook onderhoud en reparatie uitvoeren.
- Fabrikanten kunnen hun dealers weer verbieden om nevenvestigingen elders te openen. De zogenaamde locatieclausule kan dus weer opgenomen worden.
- Fabrikanten kunnen hun dealers voor een periode van maximaal 5 jaar verbieden om andere merken auto’s te verkopen. Na die periode kunnen dealers verplicht worden tot maximaal 80% van hun omzet bij het betreffende merk in te kopen en om eventuele andere merken in een aparte showroom te verkopen. De Europese Commissie behoudt zich echter het recht voor om deze bepaling aan te passen als na verloop van tijd blijkt dat dit een minderend effect op de concurrentieverhoudingen heeft.
Dealerbescherming
In tegenstelling tot Verordening 1400/2002 kennen de nieuwe algemene groepsvrijstelling Verordening 330/2010 en de nieuwe automotive groepsvrijstelling 461/2010 geen specifieke bepalingen meer die zijn gericht op de bescherming van de positie van de dealers ten opzichte van de autofabrikanten. De afgelopen Vo. 1400/2002 kende nog contractuele bepalingen zoals minimum opzegperiodes voor dealercontracten, een verplichting tot opgave van reden in geval van contractopzeggingen, arbitrage en de vrijheid van dealers om hun bedrijf vrijelijk te kunnen verkopen binnen het dealernetwerk. Deze contractuele aangelegenheden vallen nu niet meer onder de mededingingswetgeving en zullen in plaats daarvan in het vervolg geregeld worden binnen de zogenaamde Code of Good Practice waartoe alle autoproducenten in Europa zich toe hebben verplicht.
Secundaire markt: de aftersales markt
Behalve met de verkoop van nieuwe personenauto’s hield de Verordening 1400/2002 zich ook bezig met de aftersales markt, dat wil zeggen de reparatie- en onderhoudsmarkt en de verkoop van auto-onderdelen. De Commissie had zich in 2000 tot doel gesteld met name de concurrentie tussen de dealers en onafhankelijke garages te vergroten. Om dit te bereiken waren drie zaken van essentieel belang:
- de toegang tot technische informatie: onafhankelijke garages moeten vrij zijn dergelijke informatie te verkrijgen;
- de penetratie van niet-originele onderdelen in het merkgebonden kanaal;
- het verbreken van de link tussen verkoop en after-sales en de introductie van de erkende reparateur.
In de Verordening 1400/2002 werd een aantal specifieke bepalingen opgenomen die bovengenoemde doelstellingen mogelijk moesten maken.
Evaluatie secundaire markt
In de tussentijdse evaluatie van 2008 kwam de Europese Commissie tot de conclusie dat er in de afgelopen jaren weliswaar geen sprake is geweest van machtsmisbruik in de secundaire markt maar dat de machtspositie van de verschillende partijen in de aftermarket erg ongelijk is. Dealers van een automerk zijn voor het uitvoeren van reparaties en onderhoud dusdanig afhankelijk van onderdelen die zij van de autofabrikanten geleverd krijgen en toeleveranciers zijn zo afhankelijk van contracten van autofabrikanten voor het voortbestaan van hun onderneming dat het de Commissie beter leek dat er bepaalde voorzorgsmaatregelen genomen kunnen worden om eventueel machtsmisbruik te voorkomen. Men was dan ook bereid om een beperkte groepsvrijstelling voor de aftersales markt in stand te houden.
Op 1 juni 2010 is de Verordening 461/2010 van kracht geworden die specifiek betrekking heeft op de markt voor onderhoud en reparatie van personen- en bedrijfsauto’s. Deze automotive groepsvrijstelling is aangevuld met een aantal richtsnoeren waarin uitgelegd wordt hoe de wetgeving bedoeld is en hoe deze geïnterpreteerd moet worden.
In principe verschillen de bepalingen in de nieuwe Verordening 461/2010 niet wezenlijk van de bepalingen in de zijn voorganger Verordening 1400/2002.
Aftermarket
De belangrijkste bepalingen ten aanzien van de aftermarket zijn:
- Er kan geen verplichting worden ingevoerd voor geautoriseerde werkplaatsen om behalve reparatie en onderhoud ook verkoop van nieuwe auto’s te verrichten.
- Op de aftermarket zijn 3 ‘hardcore restrictions’ van toepassing, oftewel 3 absolute verboden die de concurrentie zouden kunnen aantasten. Deze verboden moeten de vrijheid garanderen voor dealers om reserve-onderdelen aan onafhankelijke autobedrijven te kunnen verkopen, voor de producenten van auto-onderdelen, garage-equipement en diagnose-apparatuur om hun producten te kunnen verkopen dealers en onafhankelijke grossiers en autobedrijven en de vrijheid voor onderdelenproducenten om hun merknaam en/of logo te plaatsen op onderdelen die bestemd zijn voor de aftermarket.
- In de richtsnoeren wordt bepaald dat de autofabrikanten informatie die nodig is om onderhoud en reparatie te kunnen verzorgen op dezelfde wijze ter beschikking moeten stellen aan onafhankelijke autobedrijven als dat zij aan hun dealernetwerk doen.
- In de richtsnoeren wordt eveneens bepaald dat autofabrikanten consumenten niet kunnen verplichten om als onderdeel van de garantiebepalingen alle onderhoudswerkzaamheden binnen het dealernetwerk uit te laten voeren.