• Selecteer uw afdelingen:

  • Selecteer uw thema's:

  • Bewaar voorkeuren voor onderwerpen:

    • cancel

Dossier: Block Exemption

Wetgeving

Groepsvrijstelling Verordening 1400 2002

De mededinging binnen de automotive markt in Europa wordt geregeld met behulp van de zogenaamde Block Exemption Regulation of Verordening 1400/2002. Deze Verordening maakt het mogelijk voor de partijen in de branche om afspraken te maken die wellicht anders in conflict zouden komen met de Europese mededingswetgeving.

De huidige mededingingswetgeving voor de automotive sector loopt in 2010 af. In de komende periode moet er een keuze worden gemaakt of de huidige wetgeving zal worden verlengd of dat er een nieuwe vorm van mededingingswetgeving zal worden ingevoerd.

Wat is de Block Exemption?

De vrije mededinging wordt binnen Europa geregeld in artikel 81 en 82 van het EG Verdrag. Doel van deze artikelen is om vrije concurrentie tussen ondernemingen op de Europese markt zoveel mogelijk te garanderen. Onderdeel van deze wetgeving is onder andere een verbod op kartels. De nationale mededingingsautoriteiten, in Nederland de NMa, zien toe op naleving van de mededingingswetgeving.

De Europese Commissie heeft echter ook de bevoegdheid om een bepaalde groep regelingen die eigenlijk in strijd is met dit kartelverbod vrij te stellen. Men spreekt dan van een groepsvrijstelling. Zo is er een algemene groepsvrijstelling die bijvoorbeeld franchise-overeenkomsten mogelijk maakt, de zogenaamde Verordening 2790/1999

Daarnaast is er op dit moment speciaal voor de automotive sector een aparte groepsvrijstelling van kracht, de zogenaamde Verordening 1400/2002. Door deze verordening is het mogelijk om bepaalde speciale afspraken te maken tussen importeurs en dealers van personenauto’s en vrachtwagens die betrekking hebben op de verkoop, aftersales en de garantiebepalingen.

De huidige Verordening 1400/2002 loopt af in 2010. De Europese Commissie moet uiterlijk in 2009 een beslissing nemen of met daarna doorgaat met een nieuwe groepsvrijstelling die specifiek is opgesteld voor de automotive sector of dat men besluit dat de automotive sector zich dient te voegen onder de algemene groepsvrijstelling die nu voor alle andere marktsectoren geldt. De algemene groepsvrijstelling, Verordening 2790/1999 loopt eveneens in 2010 af zodat dit voor de Europese Commissie een uitstekend moment is om eventuele wijzigingen in de wetgeving door te voeren. Begin 2008 heeft de Europese Commissie een tussentijds evaluatierapport uitgebracht. In deze tussentijdse evaluatie beoordeelt de Commissie in hoeverre de verschillende onderdelen van de Verordening het gewenste effect hebben gehad (effectiviteit) en in hoeverre het nodig is geweest dat er specifieke wetgeving werd ingevoerd om dit bepaalde effect te bereiken (relevantie).

Wat houdt de Verordening 1400/2002 in?

In 2002 vond de Europese Commissie de werking van de markt voor de verkoop van nieuwe motorvoertuigen niet bevredigend. Vanwege een toenemend aantal fusies en samenwerkingsverbanden vreesde men voor het ontstaan van een oligopolistische markt met een verminderde concurrentie tussen de merken (inter-brand). In zo'n geval wordt de bescherming van de concurrentie binnen het merk (intra-brand) van groter belang.

Tegelijkertijd speelde het probleem dat in de aanloop naar de BER een aantal autofabrikanten in de fout waren gegaan door de export van (lager geprijsde, veelal Nederlandse) motorvoertuigen te belemmeren.
Om deze problemen het hoofd te bieden werd in de nieuwe Verordening gekozen voor een drietal maatregelen:
1. een versterking van de mogelijkheden om meerdere automerken te verkopen vanuit dezelfde showroom (multi branding);
2. een vergroting van de concurrentie tussen de dealers door autofabrikanten meer vrijheid te geven bij het inrichten van hun distributienetwerk, afhankelijk van hun marktaandeel en door de verbreking van de link tussen verkoop en after-sales zodat dealers zich eventueel kunnen specialiseren in de verkoop van auto’s of in de reparatie alsmede door opheffing van de localisatie-clausule;
3. stimulering van de parallel-import, door een combinatie van exclusieve en selectieve distributie te verbieden en (wederom) door opheffing van de localisatie-clausule.

Verordening 1400/2002 bevat verder enkele bepalingen die tot doel hebben de dealers te beschermen tegen de/ macht van de autofabrikant:
1. het recht op verwerving van andere dealers;
2. de motiveringseis in geval van opzegging;
3. de minimale contractduur c.q. opzeggingstermijn;
4. geschillenbeslechting.

Aftersales markt

Behalve met de verkoop van nieuwe personenauto’s houdt de Verordening zich ook bezig met de aftersales markt, dat wil zeggen de reparatie- en onderhoudsmarkt en de verkoop van auto-onderdelen. De Commissie heeft zich in 2000 tot doel gesteld met name de concurrentie tussen de dealers en onafhankelijke garages te vergroten. Om dit te bereiken zijn drie zaken van essentieel belang:
1. de toegang tot technische informatie: onafhankelijke garages moeten vrij zijn dergelijke informatie te verkrijgen;
2. de penetratie van niet-originele onderdelen in het merkgebonden kanaal;
3. het verbreken van de link tussen verkoop en after-sales en de introductie van de erkende reparateur.

Inhoud van tussentijdse evaluatierapport van Europese Commissie

De Europese Commissie is aanmerkelijk positiever over de ontwikkeling van de markt voor de verkoop van nieuwe auto's. Er is geen oligopolistische markt ontstaan; in plaats daarvan is de concurrentie tussen de merken juist toegenomen, onder meer door nieuwe toetreders. Bovendien is volgens de Commissie op korte termijn verdere concurrentie te verwachten vanuit landen als China en India. Ook zijn bij een toenemend aantal bedrijven meerdere merken te koop.

Daarmee is niet gezegd dat dit het gevolg is van de BER. Het tegendeel lijkt het geval te zijn. Er worden door dealers weliswaar steeds meer merken verkocht, maar dit gebeurt zelden vanuit dezelfde showroom, omdat dit commercieel gezien niet aantrekkelijk is. Ofschoon autofabrikanten de vrijheid hebben gekregen om te kiezen voor andere distributievormen, hebben zij massaal voor selectieve distributie gekozen. Dit lijkt echter geen problemen te hebben opgeleverd. Bedacht dient te worden dat ook de dealers geen gebruik hebben gemaakt van hun nieuwe vrijheden (niemand heeft zich gespecialiseerd in uitsluitend verkoop, niemand heeft bijkomende verkooppunten opgezet over de grens).

Geconstateerd kan worden dat er geen nieuwe voorbeelden zijn van situaties waarin autofabrikanten parallelimport hebben belet. Zij hebben hun prijzen binnen Europa steeds verder geharmoniseerd, waardoor de belangrijkste aanleiding tot parallelimport is verdwenen.
Overigens constateert de Europese Commissie ook niet dat er hoge winsten worden gemaakt binnen de automobielsector (hetgeen een aanwijzing zou kunnen zijn voor mededingingsbelemmerende afspraken). Dit is niet nieuw. Ook in de aanloop naar de BER is hierop al gewezen.

Hoe het ook zij, de Europese Commissie lijkt de BER een voorbeeld te vinden van overregulering. Kortom, ten aanzien van de verkoop van nieuwe auto's zijn er geen redenen voor continuering van de BER aan te wijzen en is de kans groot dat deze straks onder de verwachte opvolger van EG Verordening 2790/1999 gaat vallen.

Verordening 1400 2002