Europese mededingingswetgeving voor de autosector

05-08-2013

De vrije mededinging wordt binnen Europa geregeld in artikel 81 en 82 van het EG Verdrag. Doel van deze artikelen is om vrije concurrentie tussen ondernemingen op de Europese markt zoveel mogelijk te garanderen.

Europa

Onderdeel van deze wetgeving is onder andere een verbod op kartels. De nationale mededingingsautoriteiten zoals de Nederlandse Mededingingsautoriteit NMa, zien toe op naleving van de mededingingswetgeving. De Europese Commissie heeft echter ook de bevoegdheid om een bepaalde groep regelingen die eigenlijk in strijd is met dit kartelverbod vrij te stellen. Men spreekt dan van een groepsvrijstelling.

 

Scheiding tussen markt voor nieuwe auto’s en onderhoudsmarkt
Voor de autosector heeft de Europese Commissie in 2010 besloten een scheiding aan te brengen in de mededingingswetgeving tussen de primaire en de secundaire markt. De primaire markt die zich bezighoudt met de verkoop van nieuwe personen- en bedrijfsauto’s valt sinds 1 juni 2013 na een overgangsperiode van 3 jaar onder de nieuwe algemene groepsvrijstelling Vo. 330/2010. 

Voor de secundaire markt, dat wil zeggen de markt van het onderhoud en reparatie aan auto’s en de handel in auto-onderdelen, blijft een specifieke groepsvrijstelling, de Verordening 461/2010, van kracht. De nieuwe automotive BER zoals hij ook wel genoemd wordt, loopt van 1 juni 2010 tot en met 31 mei 2023.

Op basis van een analyse van de concurrentieverhoudingen in de autosector kwam de Europese Commissie in 2008 tot de conclusie dat er op de markt voor de verkoop van nieuwe auto’s sprake is van zeer sterke concurrentie, zowel tussen de verschillende merken als tussen de dealers onderling van een bepaald merk (interbrand competition respectievelijk intrabrand competition). Volgens de Commissie was het dan ook niet meer nodig om met behulp van specifieke wetgeving de vrije marktwerking in deze sector te garanderen. De algemene wetgeving met betrekking tot groepsvrijstellingen zou naar de mening van de Europese Commissie toereikend moeten zijn om voor een eerlijke concurrentie te zorgen.

De belangrijkste wijzigingen in de nieuwe wetgeving met betrekking tot de verkoop van nieuwe auto’s zijn:

  • Het wordt vanaf 2013 mogelijk voor autofabrikanten om van hun dealers te vragen dat zij behalve verkoop ook onderhoud en reparatie uitvoeren.
  • Fabrikanten kunnen hun dealers weer verbieden om nevenvestigingen elders te openen.
  • Fabrikanten kunnen hun dealers voor een periode van maximaal 5 jaar verbieden om andere merken auto’s te verkopen. Na die periode kunnen dealers verplicht worden tot maximaal 80% van hun omzet bij het betreffende merk in te kopen en om eventuele andere merken in een aparte showroom te verkopen. De Europese Commissie behoudt zich echter het recht voor om deze bepaling aan te passen als na verloop van tijd blijkt dat dit een minderend effect op de concurrentieverhoudingen heeft.

 

Dealerbescherming
In tegenstelling tot de oude Vo. 1400/2002 kent de nieuwe algemene groepsvrijstelling 330/2010 geen specifieke bepalingen meer die zijn gericht op de bescherming van de positie van de dealers ten opzichte van de autofabrikanten. De vorige Verordening kende nog contractuele bepalingen zoals minimum opzegperiodes voor dealercontracten, een verplichting tot opgave van reden in geval van contractopzeggingen, arbitrage en de vrijheid van dealers om hun bedrijf vrijelijk te kunnen verkopen binnen het dealernetwerk. Deze contractuele aangelegenheden vallen nu niet meer onder de mededingingswetgeving en worden in plaats daarvan in het vervolg geregeld binnen de zogenaamde Code of Good Practice van ACEA waartoe alle autoproducenten in Europa zich toe hebben verplicht.

De markt voor reparatie en onderhoud
Behalve met de verkoop van nieuwe personenauto’s hield Verordening 1400/2002 zich ook bezig met de aftersales markt, dat wil zeggen de reparatie- en onderhoudsmarkt en de verkoop van auto-onderdelen. De Commissie had zich in 2000 tot doel gesteld met name de concurrentie tussen de dealers en onafhankelijke garages te vergroten. Om dit te bereiken waren drie zaken van essentieel belang:

  1. De toegang tot technische informatie die nodig is om onderhoud en reparaties uit te kunnen voeren. Onafhankelijke garages die niet tot het netwerk van een bepaald automerk behoren, moeten vrij zijn dergelijke informatie te verkrijgen;
  2. De verkrijgbaarheid van niet-originele onderdelen in het merkgebonden kanaal;
  3. Het verbreken van de link tussen verkoop en aftersales en de introductie van de erkende reparateur.

In de oude Verordening 1400/2002 werd een aantal specifieke bepalingen opgenomen die deze doelstellingen mogelijk moesten maken.

Kwetsbare concurrentieverhoudingen binnen reparatie- en onderhoudsmarkt
In de tussentijdse evaluatie van 2008 kwam de Europese Commissie tot de conclusie dat er in de afgelopen jaren weliswaar geen sprake is geweest van machtsmisbruik in de reparatie- en onderhoudsmarkt, maar dat de machtspositie van de verschillende partijen in de aftermarket erg ongelijk is. Dealers van een automerk zijn voor het uitvoeren van reparaties en onderhoud dusdanig afhankelijk van onderdelen die zij van de autofabrikanten geleverd krijgen en toeleveranciers zijn zo afhankelijk van contracten van autofabrikanten voor het voortbestaan van hun onderneming dat het de Commissie beter leek dat er bepaalde voorzorgsmaatregelen genomen kunnen worden om eventueel machtsmisbruik te voorkomen. Men was dan ook bereid om een beperkte groepsvrijstelling in stand te houden die specifiek gericht is op de aftersales markt, de zogenaamde Verordening 461/2010. Deze Verordening is sinds 1 juni 2010 van kracht en houdt zich specifiek bezig met de markt voor onderhoud en reparatie van personen- en bedrijfsauto’s. Deze automotive groepsvrijstelling is aangevuld met een aantal richtsnoeren waarin uitgelegd wordt hoe de wetgeving bedoeld is en hoe deze geïnterpreteerd moet worden.

In principe verschillen de bepalingen in de nieuwe Verordening 461/2010 niet wezenlijk van de bepalingen in zijn voorganger Verordening 1400/2002. De belangrijkste bepalingen zijn:

  • Er kan geen verplichting worden ingevoerd voor geautoriseerde werkplaatsen om behalve reparatie en onderhoud ook verkoop van nieuwe auto’s te verrichten.
  • Op de aftermarket zijn 3 ‘hardcore restrictions’ van toepassing, oftewel 3 absolute verboden die de concurrentie zouden kunnen aantasten. Deze verboden moeten in de eerste plaats de vrijheid garanderen voor dealers om reserve-onderdelen aan onafhankelijke autobedrijven te kunnen verkopen. Verder moeten de producenten van auto-onderdelen, garage-equipement en diagnose-apparatuur hun producten kunnen verkopen aan dealers, onafhankelijke grossiers en autobedrijven. Tenslotte hebben onderdelenproducenten de vrijheid om hun merknaam en/of logo te plaatsen op onderdelen die bestemd zijn voor de aftermarket.
  • In de richtsnoeren wordt bepaald dat de autofabrikanten informatie die nodig is om onderhoud en reparatie te kunnen verzorgen op dezelfde wijze ter beschikking moeten stellen aan onafhankelijke autobedrijven als dat zij aan hun dealernetwerk doen.
  • In de richtsnoeren wordt eveneens bepaald dat autofabrikanten consumenten niet kunnen verplichten om als onderdeel van de garantiebepalingen alle onderhoudswerkzaamheden binnen het dealernetwerk uit te laten voeren.