Visie op de brandstoffenmix

In het SER Energieakkoord is een groot aantal afspraken gemaakt om in 2050 tot 60% reductie van de CO2-uitstoot van de Nederlandse transportsector te komen. Eén van de belangrijkste onderdelen daarvan is de ‘Visie op de brandstoffenmix 2050’.

In 2014 is door ruim 100 partijen gewerkt aan het opstellen van deze gezamenlijke visie. Naast de (rijks)overheid zijn dat de energieleveranciers, voertuigleveranciers, vervoerders en verladers, milieubewegingen en kennisinstellingen. Het proces werd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geïnitieerd en gefaciliteerd. Op 30 juni 2014 is het visiedocument “Een duurzame brandstofvisie met LEF” aangeboden aan de toenmalige staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mevrouw Wilma Mansveld. 

RAI Vereniging en haar leden zijn daarbij zeer direct betrokken geweest, waarbij de Commissie Strategische Beleidsvoorbereiding van afdeling Auto’s een belangrijke coördinerende rol vervulde.

Doel is een robuust groeipad voor de technologieën, energiedragers en infrastructuur die nodig zijn voor het bereiken van de afgesproken CO2-reductie. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere doelstellingen, zoals luchtkwaliteit en energiezekerheid.

Samenvatting van de visie
Uit berekeningen op basis van inschattingen van ‘tafels’ met experts van de verschillende brandstof- en energiedragers blijkt dat, naar de huidige inzichten, geen enkel brandstof-/energiespoor zelfstandig de doelen van het Energieakkoord kan bereiken. Daarbij zijn de mogelijkheden van deze energiesporen onzeker, zowel qua technische ontwikkeling als qua economische haalbaarheid.

Een brede mix van brandstoffen en energiedragers blijkt noodzakelijk. Geen enkel spoor kan worden uitgesloten. Richting wordt wel gegeven door in te zetten op zoveel mogelijk elektrificatie van de aandrijving, batterij-elektrisch dan wel met waterstof. De overige brandstofsporen worden ingezet om robuustheid te creëren en als oplossing voor die vervoerswijzen waar op dit moment elektrificatie geen oplossing lijkt. 

Tafels
De visie is tot stand gekomen door per brandstofspoor in tafels de kennis uit te wisselen en de rol en concrete mogelijkheden van de afzonderlijke brandstoffen te inventariseren. Hiervoor zijn zeven deelrapporten gemaakt, die als basis hebben gediend voor het visiedocument. Daarbinnen zijn de verschillende vervoerswijzen uitgewerkt. 

Personenauto’s
Personenauto’s lijken bij uitstek geschikt voor elektrificatie. Daarvoor zijn echter nog wel enkele technologische of economische doorbraken noodzakelijk. De ontwikkeling van batterij-elektrische en waterstof personenauto’s lijkt voor het halen van het tussendoel in 2030 onvoldoende snel te ontwikkelen. Daarom is het noodzakelijk om ook op gasvormige brandstoffen (LPG en CNG) en alternatieve brandstoffen in te zetten. Deze brandstoffen zullen zo veel mogelijk uit hernieuwbare grondstoffen gemaakt worden, zowel uit biomassa als via synthese uit duurzame energie. 

Bestelauto’s
Binnen stedelijke gebieden wordt ingezet op elektrische aandrijving, al dan niet voor de ‘last mile’. Daarbuiten wordt ingezet op waterstof, gasvormige brandstoffen en biobrandstoffen. 

Vrachtwagens
Voor zwaar transport over de lange afstand zijn weinig alternatieven voor diesel. Alleen LNG lijkt een duidelijke optie. Inzet van de resterende fossiele diesel en biodiesel is voorzien voor deze vervoerswijze. 

Bussen
Voor stedelijk en regionaal vervoer wordt ingezet op elektrische aandrijving, analoog aan de ‘green deal zero emission busvervoer’. Daarnaast zal echter gasvormige brandstof voor robuustheid moeten zorgen. Voor de langere afstand zullen alternatieve brandstoffen, gas en fossiele brandstoffen ingezet worden. 

Europees verband
Zowel het visiedocument als de deelrapporten benadrukken van de noodzakelijkheid van Europese afstemming en gericht Europees beleid voor het halen van de reductiedoelen. Nederland is hierbij sterk afhankelijk van Europese en mondiale ontwikkelingen. 

Onzekerheden
Voor alle energiedragers en alternatieve brandstoffen gelden grote onzekerheden, zowel in positieve als in negatieve zin. Naast de genoemde Europese inzet, zijn er verschillende andere voorwaarden die ingevuld moeten worden. Er is nog veel discussie over de beschikbaarheid en duurzaamheid van bio- en andere alternatieve brandstoffen. Inschattingen voor de ontwikkeling van batterij-elektrische en waterstofvoertuigen lopen ook sterk uiteen. Daarnaast is onduidelijk hoe de buffering van zonne- en windenergie wordt vormgegeven. Dit kan via elektrische auto’s, door waterstof of door het synthetiseren van gas. 

Er is tot slot afgesproken om geregeld, ongeveer eens in de drie tot vier jaar, de visie aan te passen aan de ontwikkelingen.

Gerelateerde dossiers