Vallen samengebouwde voertuigen geheel onder de CE-markering?

23 januari 2018

Valt een samengebouwd voertuig met ook delen die niet onder de Machinerichtlijn of andere EU-richtlijnen vallen in zijn geheel onder de CE-markering? Om dat helder te krijgen hebben we daarover vragen gesteld aan een materiedeskundige.

CE-markering is een wettelijke verplichting voor alle machines die onder o.a. de machinerichtlijn vallen. Trucks vallen niet onder de machinerichtlijn maar wel de laadkraan, laadklep, kipper, hydraulische oprijramp enz die hierop of hierachter worden gebouwd.

Bij deze materie hebben wij onderstaande vragen gesteld aan een specialist op het gebied van CE markering (Fusacon) tijdens het ‘Safety Event’, een jaarlijkse bijeenkomst voor iedereen die met machines te maken heeft, van ontwerp, enigineering, bouw, onderhoud tot gebruik.

Korte conclusie
Een aantal van de producten die de carrosserie- en trailerbouw levert moeten wettelijk zijn voorzien van CE-markering. Als carrosserie- of trailerbouwer moet u zich niet laten afschepen met een II-B-verklaring als een II-A-verklaring van toepassing is. Want bij een II-B-verklaring moet u zelf de CE-markering maken en bij een II-A-verklaring hoeft dit niet meer.

Vraag:
Carrosserie- en trailerbouwers ontwikkelen en bouwen wegtransportmiddelen. Hiervoor worden machines ingekocht voorzien van CE-markering die worden samengebouwd tot een rijdend voertuig. De overige delen van het voertuig vallen niet onder de Machinerichtlijn of andere relevante EU-Richtlijnen. Wat zijn de argumenten om al dan niet te besluiten het gehele voertuig onder CE-markering te laten vallen? 

Antwoord:
Destijds (periode 1985-1992) is door de EU besloten de interne markt te harmoniseren en handelsbarrières te slechten. De Machinerichtlijn 2006/42/EG geldt voor machines conform de definitie van “machine” genoemd in artikel 2 van de Machinerichtlijn. Er is echter is een lijst met uitzonderingen die een bepaalde logische achtergrond hebben, maar soms ook een politieke. Het wegverkeer en de wegvoertuigen vragen om wederzijdse erkenning van elkaars keuringen en eisen. Aangezien dit erg gecompliceerd is (onlangs is na jaren overleg de keuring voor tractoren vastgelegd) heeft men destijds besloten de wegvoertuigen (voor de openbare weg) uit te zonderen, maar de machines op dergelijke voertuigen niet. Deze vallen gewoon onder de Machinerichtlijn.

Vraag:
Leveranciers van producten aan de carrosserie- en trailerbouw zijn veelal voorzien van een II-B verklaring, terwijl er vaak voldoende argumenten zijn om met een II-A verklaring te leveren. Veelal betreft het namelijk de levering van onderdelen waaruit een compleet werkende machine kan worden geassembleerd. Carrosserie- en trailerbouwers wijzen de leveranciers op het feit dat het een wettelijke verplichting betreft. Helaas werkt dit in de praktijk niet. Welke andere adviezen kunnen gegeven worden om leveranciers toch te bewegen een II-A verklaring af te geven?

Antwoord:
De Machinerichtlijn (MRL) onderscheidt de “voltooide” machine en de “niet voltooide” machine, waarvoor respectievelijk een EG-Verklaring van overeenstemming (verklaring volgens MRL Bijlage II-A) of een Inbouwverklaring (verklaring volgens MRL Bijlage II-B) opgesteld moet worden. In de dagelijkse praktijk komt het regelmatig voor dat een machine door de fabrikant onterecht wordt gezien als “niet voltooide” machine (II-B).  Het probleem met de keuze voor “voltooid” (II-A) of “niet voltooid”  II-B komt voort uit een ‘technisch gevoel’. Immers een machine die niet functionerend wordt opgeleverd is uit oogpunt van een techneut geen complete machine. Als de fabrikant van dergelijke machines door een dealer dit moet laten in- of opbouwen denkt de fabrikant dat de dealer uiteindelijk verantwoordelijk is. 

Echter als iemand een keukenmixer koopt werkt deze ook niet meteen; er moet eerst de elektra worden aangesloten. Deze handeling zorgt er niet voor dat de koper plotseling verantwoordelijk wordt voor CE-markering (volgens II-A) van de keukenmixer. Om te voorkomen dat fabrikanten de makkelijke weg kiezen is, in één van de definities voor “machine”, opgenomen dat ook machines waarbij de energiebron ontbreekt toch moeten worden gezien als voltooide machines (II-A). De fabrikant moet wel aangeven hoe het apparaat moet worden aangesloten en ook hier met zijn risicobeoordeling mee rekening houden. Het gaat zelfs zover dat ook motoren in de machine mogen ontbreken en nog steeds is de machine als (juridisch) “voltooide” machine te beschouwen.