Bromfiets verdient eerherstel

18-10-2016

De bromfiets, de politiek en de samenleving vormen al sinds de introductie van dit vervoermiddel vlak na de Tweede Wereldoorlog een ongelukkig huwelijk. Het ene moment werd de bromfiets op handen gedragen, dan weer verguisd.

Wout Meppelink, hoofdredacteur van het blad Bromfiets, pleit daarom voor eerherstel van deze ‘verschoppeling van de weg’. “Er moet een einde komen aan de symboolpolitiek die de berijder van dit praktische en handige vervoermiddel telkens treft.”

Aanvankelijk was de stormachtige opkomst van de ‘rijwiel met hulpmotor’ voor velen een ware bevrijding om zich te kunnen onttrekken uit de benepenheid van stille dorpjes waar nooit iets gebeurde en maakte het mogelijk de actieradius aanzienlijk te vergroten, vertelt Meppelink.

Pietje Bell

Vier jaar nadat de eerste brommer op de Nederlandse wegen verscheen, had dit vervoermiddel met bijna 200.000 stuks eind 1951 zijn bestaansrecht al ruimschoots bewezen. Beleidsmakers en politici hadden het er volgens Meppelink maar moeilijk mee. “Verbieden kon echter al lang niet meer. Dat smeekte dus om maatregelen!”

En die kwamen er. Moeiteloos somt hij een hele waslijst van wet- en regelgeving op die de Pietje Bell onder de gemotoriseerde vervoermiddelen in toom moest houden: de brommer werd naar het fietspad verbannen (of toch maar weer niet); de buddyseat op de bromfiets werd verboden omdat die anders teveel op een motorfiets zou lijken; het bekende gele plaatje werd geïntroduceerd; er kwam een helmplicht in 1975; een bromfietscertificaat; een brommerrijbewijs; een kenteken voor bromfietsen. Hij voorspelt dat het eind nog lang niet in zicht is. “Het wachten is op een voorstel om bromfietsers wegenbelasting te laten betalen of een verplichte apk voor brommers in te voeren.”

Symboolpolitiek
Ondanks de vele ontmoedigingsmaatregelen die zich door de jaren heen aandienden was de opmars van de bromfiets in Nederland niet te stuiten. Inmiddels zijn er weer zo’n 1,3 miljoen bromfietsen op de weg. Toch blijven bedreigingen voortdurend op de loer liggen. Het verbannen van bromfietsen uit stedelijke gebieden noemt Meppelink symboolpolitiek van mensen die elkaar napraten en volkomen ongefundeerd weten te melden dat brommers 100 of zelfs 1.000 maal vervuilend zijn dan….. “Ja, dan wat eigenlijk? Snel scoren is het motto, anders zou het probleem zichzelf wel eens kunnen oplossen!”

Hij citeert een uitspraak van hoogleraar Transportbeleid Bert van Wee. Die merkte tijdens de presentatie van een Europees onderzoek naar historische voertuigen bij de TU Delft op ‘dat we toch ook niet alle historische grachtenpanden gaan slopen omdat ze slecht geïsoleerd zijn.’ ‘En we brengen toch ook niet de Nachtwacht naar de afvalverwerking omdat er loodhoudende verf in zit.’

Uitstervende diersoort
De grote wens van Meppelink is dat de bromfiets uiteindelijk de status krijgt die deze verdient. Want, beklemtoont hij, “het is een ongelofelijk nuttig vervoermiddel: zuinig, betaalbaar, echt niet ernstig vervuilend (er worden nagenoeg geen 2-takt brommers meer verkocht) en het ruimtebeslag is miniem. En toch komt de bromfiets in alle congestieplannen niet voor. De bromfiets is in de ogen van beleidsmakers namelijk een uitstervende diersoort met uitsluitend een negatieve status veroorzaakt door soms foute berijders.”

Via Bromfiets zegt hij er alles aan te doen om de hetze tegen brommers in het algemeen tegen te gaan. “Maar we concentreren ons daarbij wel op de oldtimers. Daarvan rijden er nog altijd 200.000 (van de in totaal 1,3 miljoen brommers) rond. En die kunnen gelukkig wel overal op sympathie rekenen.”

Het volledige artikel leest u in GO!Mobility Magazine 4/2016.