In het onderzoek zijn overheidsinkomsten afgezet tegen externe en infrastructuurkosten voor verschillende vormen van personenmobiliteit, op basis van binnenlandse voorbeeldreizen. Met infrastructuurkosten bedoelt het KiM de kosten voor aanleg, beheer en onderhoud van infrastructuur die samenhangen met het gebruik van een vervoermiddel. Externe kosten zijn maatschappelijke kosten die niet direct door de gebruiker worden betaald, zoals kosten door verkeersongevallen, geluidshinder, luchtvervuiling en klimaatverandering. De studie geeft hiermee meer inzicht in de mate waarin de huidige financiële prikkels aansluiten bij het principe ‘de gebruiker, vervuiler en veroorzaker betaalt’, zonder dat dit op dit moment een formeel beleidsdoel is.
Voor personenauto’s laat de analyse zien dat de overheidsinkomsten bij benzine- en dieselauto’s alleen bij langere reizen met een groot aandeel snelwegverkeer in de buurt komen van de maatschappelijke kosten. Bij korte en middellange autoritten blijven de inkomsten duidelijk achter bij de externe en infrastructuurkosten. Dit geldt ongeacht het type aandrijving.
Daarnaast blijkt dat de verschillen in externe en infrastructuurkosten tussen fossiele en elektrische auto’s in veel gevallen beperkt zijn. Dat komt doordat kosten als gevolg van verkeersongevallen een relatief groot aandeel hebben in het totaal, terwijl klimaat- en luchtvervuilingskosten een kleiner deel uitmaken van de totale externe kosten. Het KiM benadrukt dat de studie bedoeld is als beleidsanalytische verkenning en vooral inzicht biedt in de huidige verhoudingen tussen kosten en inkomsten binnen de personenmobiliteit.

